Samenwonen is goed voor de lichamelijke en mentale gezondheid

Het is wetenschappelijk bewezen: samenwonen is goed voor de lichamelijke en de mentale gezondheid. Dit geldt niet alleen voor het klassieke huwelijk of een relatie tussen (wettelijk) samenwonenden, maar ook voor andere vormen van samen een woning te delen.

 

 

Droomscenario

Voor heel wat Vlamingen is een relatie met een partner met wie je samenwoont (al dan niet van hetzelfde geslacht) nog altijd het droomscenario. Maar intussen is de maatschappelijke realiteit zo dat steeds meer mensen alleen wonen. In vele gevallen is dat een vrije keuze, maar lang niet altijd. Heel wat mensen wonen gedwongen alleen, omdat het tot een breuk met hun partner gekomen is of erger nog, omdat die overleden is.

Heel wat mensen zijn wel op zoek naar een nieuwe relatie, maar dat is vaak een calvarietocht. Datingsites en –bureaus boomen als nooit tevoren, maar slechts een minderheid vindt hier (opnieuw) het geluk.

Het belang van samenwonen voor de mentale gezondheid

Intussen worden steeds meer studies uitgevoerd naar het belang van samenwonen voor de mentale gezondheid. Niets voor niets wordt eenzaamheid intussen een van de grootste ‘ziektes’ van onze tijd genoemd. Eenzaamheid is volgens onderzoekers zelfs een groter gevaar voor de gezondheid dan kanker.

Zo verhoogt alleen wonen het risico op een depressie met 80%. Bij ouder wordende mensen die geïsoleerd leven verhoogt bovendien het risico op dementie.

Samenwonen is ook goed voor de lichamelijke gezondheid

Een opmerkelijke wetenschappelijke vaststelling: eenzame mensen roken vaker. Alleenwonenden lopen ook een groter risico op een hartaanval. Bovendien hebben ze twee tot drie keer minder kans om een hartaanval te overleven.

Eenzaamheid zorgt er bovendien voor dat mensen minder goed en eenzijdig gaan eten omdat ze het niet de moeite vinden om voor één persoon te koken of eten te gaan halen. Alleen op restaurant gaan is ook niet leuk.

Wie eenzaam is, komt ook minder vaak buiten. Minder mobiel zijn leidt ook sneller tot zwaarlijvigheid, met alle gevolgen vandien.

Alleen wonen kost geld

eenzaamheidruine Moet je op je eentje een woonst afbetalen of huren dan is dat financieel een zware dobber. Om nog maar te zwijgen van alle onkosten zoals herstellingswerken, verzekeringen en diets meer. Noodzakelijke investeringen of werken worden vaak uitgesteld, met als resultaat dat een alleenstaande dikwijls in een steeds slechter huis of appartement woont.

Zelf wie een volledig loon heeft zal het moeilijk hebben om op zijn eentje alle kosten te dragen. Dit kan er toe leiden dat bespaard wordt op noodzakelijke medische uitgaven. Alleenstaanden zullen sneller in armoede belanden, en dit is dikwijls een vicieuze cirkel.

Nieuwe vormen van samenwonen gewenst

In 1970 was de gemiddelde leeftijd voor de man 68 en voor de vrouw 74 jaar, in 2020 is dat al 80 en 84 jaar.

We mogen verwachten 20 jaar langer van het leven te kunnen genieten, en op 65 jaar nog aan een nieuwe, kwaliteitsvolle levensfase te kunnen beginnen. Schitterend! Dit is in de geschiedenis van de mensheid nog nooit voorgekomen. Maar we moeten wel durven nadenken over hoe we dit als samenleving fundamenteel gaan aanpakken. De vraag rijst of onze maatschappij niet op zoek moet naar andere vormen van samenwonen en –leven. Niet iedereen wil een nieuwe relatie om mee samen te wonen.

Homemates

Maar er zijn zeker mogelijkheden. Het project ‘Homemates’ wil mensen samenbrengen met dezelfde normen en waarden om een woning te delen. Op die manier kan je niet alleen heel wat geld besparen, maar ook werken aan je (geestelijke) gezondheid door van een huis opnieuw een thuis te maken.

Enerzijds wonen immers heel wat mensen noodgedwongen alleen in een veel te groot huis na een scheiding of het overlijden van de partner, en zijn anderen dan weer net op zoek naar een woonst.

Een woning delen die onderbewoond is leidt bovendien tot een optimalisatie van het woonpatrimonium. Bovendien houdt het mensen (langer) uit zorgcentra weg en wordt op die manier de onder druk staande zorgsector ontlast.

Auteur: Stefaan Van Laere