Bijna de helft van de 65-plussers voelt zich eenzaam

Eenzaamheid en sociaal isolement bij ouderen behoren tot de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen. Dat valt te lezen in een onderzoeksverslag van de Koning Boudewijnstichting gebaseerd op een enquête bij meer dan 1.500 65-plussers in België.

 

Naast zelfstandig thuiswonende ouderen werden ook ouderen in woonzorgcentra geïnterviewd. Het marktonderzoeksbureau Ipsos zorgde voor de uitvoering van de enquête samen met twee academische partners, LUCAS-KU Leuven en het departement Sciences de la Santé Publique van de Université de Liège.

Bijna de helft van de ouderen voelt zich eenzaam

 45% van de ouderen noemt zichzelf sociaal weerbaar. Dit houdt in dat ze op een groot sociaal netwerk kunnen terugvallen en dat ze zich niet eenzaam voelen. Bijna 10% geeft aan ‘contactarm’ te zijn. Deze mensen hebben weliswaar een klein sociaal netwerk, maar ze voelen zich niet eenzaam.

De rest van de ouderen (46%) voelt zich wel eenzaam. De helft van deze groep geeft aan zich in een een sociaal isolement te bevinden en combineert een klein sociaal netwerk met gevoelens van eenzaamheid. De andere helft van deze groep voelt zich ook eenzaam ondanks een groot sociaal netwerk.

Hieruit leidt de Koning Boudewijnstichting af dat initiatieven die uitsluitend het sociaal netwerk van ouderen als uitgangspunt nemen niet noodzakelijk de meest eenzamen bereiken.

Nog enkele opmerkelijke feiten:

85-plussers zijn meer dan jongere ouderen sociaal geïsoleerd

  • Eerdere enquêtes hebben aangetoond dat de eenzaamheid bij de jongeren tussen 15 en 24 jaar evenveel voorkomt als bij de oudsten
  • We tellen niet alleen meer eenzame en sociaal geïsoleerde ouderen bij de oudste ouderen, maar ook bij vrouwen, bij weduwen en weduwnaars, bij ouderen met gezondheidsproblemen en bij ouderen de eindjes moeilijk aan elkaar kunnen knopen. Niet iedere oudere is dus gelijk als het over deze fenomenen gaat.
  • Opvallend is dus dat sociale weerbaarheid mee wordt bepaald door het economische kapitaal van ouderen. Het percentage sociaal weerbare ouderen bedraagt slechts 26% bij de ouderen met een gezinsinkomen onder 1.000 euro; het stijgt met het inkomen tot 55% bij de ouderen met een gezinsinkomen hoger dan 2.000 euro. Het aandeel sociaal geïsoleerden loopt in de groep met het laagste inkomensniveau zelfs op tot 40%, tegenover 15% bij de hoogste inkomens.
  • eenzaam2Het aantal sociaal weerbaren is groter bij de thuiswonende ouderen dan bij de ouderen in woonzorgcentra die minder kinderen en een minder omvangrijk netwerk hebben. Met subjectieve eenzaamheid worden ze even vaak geconfronteerd (als we ouderen met vergelijkbare zorgafhankelijkheid vergelijken). Sociaal isolement is er meer bij de bewoners van woonzorgcentra die ook vaker meer contact willen, vooral met hun kleinkinderen.
  • Eenzaamheidsgevoelens verklaren mee dat deze ouderen depressief worden en preventie ervan zou daarom een doel moeten zijn van zorgprogramma’s. Het onderzoeken waard is de rol die inspraak en participatie hierbij kunnen spelen. Zorgwekkend in dat verband is de vaststelling dat de zorgplanning vandaag in gebreke blijft. Nog maar een op drie thuiswonende ouderen heeft al met iemand gesproken over hoe hij of zij in de toekomst wenst te wonen. En de overplaatsing of verhuis naar het woonzorgcentrum was voor 4 op 10 ouderen die er nu verblijven ongepland.
  • Tot slot nog enkele feiten en cijfers die de maatschappelijke uitdaging blootleggen. Recent onderzoek toont aan dat een ontoereikend sociaal kapitaal een minstens even belangrijke risicofactor voor overlijden is dan meer bekende risicofactoren, zoals roken, obesitas of luchtvervuiling. Het goede nieuws is dan dat er geen bewijs is dat de eenzaamheidsgevoelens bij ouderen de voorbije decennia zijn toegenomen. Bovendien doen ook in deze leeftijdsgroep nieuwe contactmogelijkheden hun intrede: nu al gebruikt 21% van de ondervraagde ouderen het internet. Het aantal 65-plussers blijft echter stijgen.

Conclusie van de studie

Het voorkomen van en de strijd tegen eenzaamheid en sociaal isolement bij ouderen verdienen daarom de volle aandacht van iedereen: van beleidsverantwoordelijken en professionelen uit de sectoren in kwestie, maar ook van de burgers die allemaal kind, familielid, kennis of buur zijn van ouderen ... en zelf een toekomstige oudere.

Auteur: Stefaan Van Laere